STIENS
V
an mijn eigen vader kan ik me natuurlijk niet veel meer herinneren
want ik was 5 jaar toen hij overleed. Ik weet nog wel, dat we een kar
hadden, waar de wielen onder
zaten,
dus niet opzij maar eronder, omdat er tussen de winkel en de bakkerij
ernaast zó'n smal gangetje was, dat een gewone kar er niet
door kon. Ik kan me herinneren, dat ik een keer met mijn vader op die
kar mee geweest ben naar Kornjum, daar was een zogenaamd bos (maar
dat waren maar een paar bomen), waar een heleboel blauwe reigers
inzaten.
Mijn vader en moeder hadden eerst een winkel waar zij zelf achter woonden, daarna verhuisden zij naar dat huis dat op het schilderij staat, (een foto hiervan zie je hier links) en daar ben ik geboren en daarna mijn jongste broer Douwe en mijn zuster (Jaco) Miene. De winkel was achter die herberg en ze verkochten er kruidenierswaren en manufacturen. Maar mijn vader handelde ook in naaimachines en deed ook de reparaties daaraan. Dat deden ze vaak in die tijd, degene die manufacturen verkochten handelden ook dikwijls in naaimachines. Nadat mijn vader was overleden viel die naaimachinehandel natuurlijk af, want mijn moeder kon die reparaties niet doen.
D e winkel werd wel voortgezet en toen mijn oudste broer Geale 12 jaar werd moest hij van school om erbij te gaan venten. Hij ging langs de deuren om bestellingen op te nemen en daarna moest hij alles bezorgen met de hondenkar. Later werd de hondenkar afgeschaft en kreeg hij een bestelfiets.
Ik weet nog wel, dat ze op de veiling kisten thee kochten, gewone donkere thee, maar je had ook theeblaadjes met witte puntjes, dat was de Chinese thee. Nu was die thee op de veiling allemaal even duur, en thuis gingen ze voor de verkoop in de winkel de thee mêleren. Ze deden wat van die thee met witte puntjes bij die andere thee in de zak en dat was dan precies de thee die de boerinnen wilden hebben. Maar die thee was wèl duurder, en als ze dan aan mijn broer vroegen of die thee nu echt beter was dan zei hij "jazeker", logisch want daar verdiende hij meer aan. Dat was net zo eerlijk als dat verhaal over Menno Simonsz, die hagepreker die rond 1500 in Witmarsum geboren is.
D
at was een hagepreker, dus een rebel, en hij werd gezocht door de
Katholieken; ze hielden een wagen aan waarvan ze dachten dat Menno
erin zat en ze vroegen "Zit Menno Simonsz hierin?", maar
hij was vlug gaan staan en kon eerlijk zeggen "nee". Wist
je overigens dat zijn volgelingen de Mennisten, zo van zoet houden?
Toen Menno Simonsz eens een hagepreek hield, stond hij op een oud
stroopvat en daar zakte hij door: Je kent toch ook wel dat
gedichtje: “Als alle Mennisten eens
wisten, wat
zouden ze lopen om
de kinderen te dopen”.