DE SMIDSE
In
de tijd dat ik bij van Broek in de smidse werkte, werkte daar ook een
jongen die MTS had, maar die verdiende minder dan ik omdat hij geen
paard kon beslaan. Maar ik ben in 1926 wel eens door een paard over
de kop geslagen. Dat paard moest beslagen worden; ik had z'n voorpoot
tussen de benen en zou gaan kappen, maar dat paard schrikt, gaat op
de achterpoten staan en ik sla zo onderuit. Door de klap van dat
paard was ik met een knie op de rand van de molensteen terecht
gekomen en die knie werd ineens twee keer zo dik. Zo'n molensteen had
in het midden een gat, en daarop sloegen we de wielbanden op de
wielen. Je had bijvoorbeeld een wagenwiel, je maakte de ijzeren band
warm en trok die met haken op het wiel. Daarna sla je die band op de
molensteen er vast op en dan ga je hem afkoelen in de koelbak met
water. Soms heb ik nog last van die knie, kijk je kunt het ook nog
zien, m'n ene knie kan ik gewoon
strekken, maar die andere blijft altijd een beetje krom staan. Ik moet dus altijd oppassen dat ik met het goede been uit bed stap! Die smederij van van Broek in Jelsum is helemaal verlopen, hij was geen vakman en hij was slordig, er is nu een bedrijfje in aanhangwagens gevestigd. Kornjum daar was geen smederij, dus toen ik in Kornjum een huis huurde van Slauerhoff en van Span, toen zeiden ze allebei "Als jij nu hier in Kornjum een smederij wilt beginnen, dan zullen wij je financieel helpen", aar ik zag niet zoveel toekomst in een eigen smederij. Het eigenlijke smeedvak is ook foetsie. Als wij vroeger een hek moesten maken en er kwamen van die krullen op, dan moesten die er allemaal aangeweld worden. Alles moest je apart in het vuur leggen en beslaan, nu doen ze alles elektrisch of autogeen. Een plattelandssmederij zou nu niet meer kunnen bestaan, want het werk van vroeger dat is er niet meer, zoals de boerenwagens met de ijzeren banden om de wielen, en ze zouden bij zo'n smederij gas en elektriciteit moeten aanleggen en ook waterleiding. Toen ik bij mijn eerste baas in Hallumerhoek, dat was een gehucht, in de smederij ging werken, was daar al niet erg veel werk; dus ik zei tegen hem dat hij er fietsen bij moest nemen want in die tijd kwamen de fietsenop. Maar hij had allerlei bezwaren, er zou al een arbeider zitten die fietsen maakte en zo. Mijn baas had zelf een fiets en kon fietsen, maar de meeste boerenarbeiders konden dat niet. Als je wilde fietsen dan moest je dat eerst leren, dan huurde je een fiets voor een kwartje per uur, zo heb ik het ook geleerd.
De
man naast de smederij had een fiets, maar de nikkelen velgen waren
roestig geworden en hij wilde dat ding wel kwijt, want dat stond er
maar in de schuur. Ik kocht die fiets voor 5 gulden, in mijn vrije
tijd maakte ik hem schoon, schuurde en lakte hem, nieuwe ketting erop
en verkocht hem aan de postbode voor 25 gulden. Ja, dat vond mijn
baas dan wel mooi, maar hij durfde het toch niet aan, hij was ook al
een jaar of 60, en datzelfde jaar heeft hij de smederij ook verkocht.
Een nieuwe buitenband op je fiets was in het begin vrij duur in
verhouding tot nu, later werden ze goedkoper, toen het massaproductie
werd. Je sleet ook vrij veel banden, want de wegen waren altijd van
dat scherpe macadam. Dat werd er in de herfst opgebracht en de
boerenwagens reden in het begin altijd erover met één
wiel ernaast en één wiel in het midden van de weg; als
zij het dan een beetje ingereden hadden dan fietsten wij ook in het
midden, maar als je dan zo'n scherpe steen raakte dan kostte je dat
weer een band. De tijden waren toen niet zo goed en een heleboel
mensen kwamen er niet meer uit. Als ze dan erg in het nauw zaten dan
maakten ze een eind aan hun leven. Een oom van mij, dat wil zeggen
een zoon van de tweede vrouw van mijn grootvader, die had een
wagenmakerij in Lioessens, dat ligt achter Dokkum. Die wagenmakerij
ging kapot, want je kreeg op een gegeven ogenblik allemaal wagens met
luchtbanden. Die man heeft niet de moed gehad om te schakelen op die
luchtbandenwagens of op bijvoorbeeld fietsenmaker. Hij was zo'n 55
jaar en kreeg het zo te kwaad dat hij zich heeft opgehangen. We
hadden laatst een keer een feestje van de onderlinge brandverzekering
maatschappij voor het zoveel-jarig bestaan. Er hing daar een koperen
pomp aan de wand, maar dat was geen echte oude zoals ik ze vroeger
maakte. Ik maakte een koperen pomp van een koperen plaat. Je had een
plaat van 40 cm breed en een meter lang, roodkoper, dan ging je op
het aambeeld met de vlakhamer (daar zat zo'n vlakke kant onder) die
plaat helemaal kloppen, daar werd dat koper stug van. Aan beide
einden werd een felsnaad gezet, die werden in elkaar gehaakt en op
een staak met het felsijzer platgeklopt. Van binnen werd het
gesoldeerd en dan had je de buis waar de zuiger in op en neer ging.
Daaraan kwam dan weer een koperen stuk, scheef met het laatste stukje
recht, dat werd er bovenaan gesoldeerd, de binnenkant van de naad
werd ook helemaal gesoldeerd, en dan had je een koperen pomp.
Tegenwoordig maken ze een koperen pomp van een koperen buis die ze zo
kunnen kopen, daar zit geen vakwerk meer aan.