Friese tradities



KAATSEN.

Gisteren was het P.C.-kaatsen in Franeker, dat had ik nou graag eens weer willen zien, maar ja dat is altijd al ver van te voren uitverkocht. Die Permanente Commissie in Franeker is altijd de eerste woensdag in augustus of de laatste woensdag in juli, maar nu gisteren was het dus de eerste woensdag in augustus. De Permanente Commissie is helemaal apart van de Nederlandse Kaatsbond; de Nederlandse Kaatsbond schrijft successievelijk voor iedere zondag kaatswedstrijden uit, in tegenstelling tot de P.C., die maar één maal per jaar een wedstrijd organiseert in het Sternse Slotland, dat ligt eigenlijk midden in Franeker. In Franeker heb je zo'n grote dubbele winkelstraat en aan het einde is nog een stuk weiland, daar bouwen ze dan tribunes op, bij de gasfabriek en bij de bocht van Buvée, dat is het vroegere studentenhotel geweest. Franeker was vroeger de studentenstad, tegenwoordig zit alles in Groningen en een klein stukje in Leeuwarden.

Ja, ik heb veel gekaatst, ik heb zelfs prijzen gewonnen. In Deventer heb ik ook nog wel gekaatst, maar eigenlijk is het een Friese sport. Je hebt wel overal in Nederland kaatsclubs hoor in Breda en Apeldoorn en Den Haag en zo, maar in Friesland zijn er wel honderden verenigingen. Gisteren was het heel goed kaatsweer, vaak is het te nat in augustus. Goed kaatsweer is niet te veel zon, geen wind en geen regen. Het hele verslag van het P.C.-kaatsen in Franeker komt altijd in de Leeuwarder Courant, daarom hebben we hem vandaag nog niet gehad.

Bij die jaarlijkse wedstrijden komen alleen de allerbeste kaatsers uit, een uitgelezen gezelschap, 16 partouren. Een partour bestaat uit 3 man, een voorbestopslager, een voorminstopslager en een voor-in-het-perk-staander. De voorbestopslager is de beste opslager, die moet vanaf 32 meter voor het perk de bal opslaan, dat perk is 18 meter. De opslager slaat dus dat kaats-balletje op en die twee man in het perk moeten zien dat zij de bal terug­kaatsen. Vandaar de uitdrukking: "wie kaatst moet de bal verwachten". Als je daar in het perk dan een hele goede man hebt, dan slaat die de bal zo ver terug, dat die nog over de opslager heengaat en ook nog over de bovenlijn die 8 meter achter de opslager ligt.



Kijk, als dit nou het veld is, is hiervandaan tot de voorlijn van het perk 18 meter, en vanaf die 18 meter tot 40 meter verder, daar is de bovenlijn. Als de opslager de bal nu opslaat en één van de mannen in het perk die raakt hem goed en die slaat boven over alles heen en voorbij deze bovenlijn, dan heeft hij 2 punten verdiend. Maar slaat de opslager hem op en ze raken hem niet of ze raken hem half zodat hij er niet uit komt, dan zijn dat 2 punten voor de tegenpartij. Dat perk is 18 meter lang en die opslager probeert de bal zo in het perk te brengen dat ze hem niet kunnen slaan. Er zijn er bij die slaan laag en als de bal dan net over de voorlijn komt dan is hij haast niet te raken, dat noemen ze een “pripper”.

"Dat frommeske mei die reade rozen oppe hoed, dat wir foar my een pripper, die wir net uut te sloan."


Bij het opslaan gaan ze steeds lopen natuurlijk, maar door dat lopen wordt het weiland helemaal zwart en als het dan nog regent dan wordt het nog glad ook, maar dan wordt er gewoon een zak zaagmeel over gegooid. Ik heb nogal eens gelachen: het kaatsen was als begonnen en alle mensen zaten netjes op de tribunes en het was echt warm zomerweer. Wij zaten op de tweede bank, en toen het begon te regenen gingen wij met de regenjassen over het hoofd zitten. Maar de mensen verderop , onder het kleed van de tribune, die bleven lekker droog. Maar toen de bui overgedreven was kwam er in 1 keer een windvlaag precies onder het zeil van de tribune. Het water dat op het zeil lag gutste er overheen en de vrouwen die er onder zaten gilden als gekken want die waren in 1 keer tot op het hemd nat. Bovendien hadden ze van die grote hoeden op met allerlei gekleurde rozen die gingen doorlopen. Dat moet in 1918 of 1919 zijn geweest.

Zo’n kaatsballetje is kleiner dan een tennisbal en groter dan een pingpongballetje, het is gemaakt van leer en er zit paardehaar in, en het weegt 38 gram. Ze probeerden het wel eens wat zwaarder te maken door het in het water te dompelen, maar dat mag natuurlijk niet. Als het tijdens de wedstrijd flink regent, dan krijgen ze na ieder spel ook een nieuwe bal. Dat slaan deden we vroeger altijd met de blote hand, maar later had ik een handschoen, die werd vroeger alleen maar gemaakt door een schoen­maker in Witmarsum. Ik werkte bij de smid, dus mijn hand was wel hard, maar iemand die ander werk had en zachtere handen, die sloeg zijn hand wel eens dóór. De Belgen en de Fransen spelen geen kaats maar dat "jeu de pelotte". Dat is een beetje anders, ook wel een balspel, maar dan staan er 5 man in het perk en aan de andere kant staan er ook 5 man en die hebben een napje waarmee ze nog veel verder kunnen slaan. Maar met kaatsen moet je de bal wel precies op de goede plaatsmet de hand raken wil je hem goed terugslaan. Als je hem bijvoorbeeld met de muis van je hand raakt, dan gaat hij niet ver terug.

We werkten tot 's avonds 7 uur, en daarna gingen we nog naar de wei om te kaatsen. Soms waren de boeren ze, wijs op zo'n stuk wei, dan mocht je er niet kaatsen hoor, het was altijd een hele gunst als het wél mocht, maar ja, dan had je toch altijd wel last van de greppels. Het speciale kaatsland dat was een echt vlak stuk land, het zogenaamde "tsjoekeloan". Waar die naam vandaan komt weet ik niet, het was gewoon een naam, net als een stuk land dat de "bargekop" heette, de varkenskop. De echte Friese Amerikanen die met vakantie in Friesland zijn, die gaan altijd naar P.C. in Franeker, dat is wereldberoemd.



Ja, vroeger was ons vertier: “s winters schaatsen en 's zomers kaatsen”











Vanaf de middeleeuwen wordt de kaatssport in Nederland beoefend. Kaatsen was zelfs lange tijd een nationale en de meest beoefende sport.


Door maatschappelijke veranderingen kwam daar in de achttiende en negentiende eeuw verandering in. De organisatie kwam in handen van kasteleins. Die hadden behalve sportieve ook economische doelstelling. Mede door die vroege vorm van commercialisering nam ook in Franeker de belangstelling voor het 'balverkaatsen' sterk af.

Na de oprichting van de PC in Franeker toen het kaatsen in het slop dreigde te geraken vond de eerste kaatsdag plaats in 1854. Sinds dat jaar kwam het slechts vijf keer voor, dat de wedstrijd niet door kon gaan. In 1859 (reden niet bekend), 1866 (cholera-epidemie), 1943 en 1944 (Duitse bezetting) en 2020 (corona-pandemie) werd er niet gekaatst. In de eerste jaren streden de deelnemers op een terrein even buiten de Oosterpoort van Franeker. Op het veld daar werd zeker al sinds 1650 gekaatst. De plaats is al jarenlang bebouwd, maar heet nog steeds het Oud Kaatsveld. In 1856 verplaatste de Permanente Commissie de wedstrijd naar het Sternse Slotland (It Sjûkelân), wat pake al vertelde.