Ons vader is na de ramp van 1883 waar zijn broer en oom zijn omgekomen van schrik nooit meer met een boot de zee op gegaan, maar is eerst binnenvaartschipper geworden en later in de handel gegaan. In Wierum en Paesens staat aan de dijk nog een gedenksteen van die ramp, met alle namen erop. Mijn vader was dus eerst binnenvaartschipper, en bijna al mijn broers en zusters zijn op het schip geboren, hoewel ze toen wel al in Nes aan de wal lagen. Hij kwam dus wel uit een vissersfamilie, maar mijn moeder helemaal niet en die was altijd zo precies op alles dat ik wel eens denk "Hoe heeft zij zich daar al die tijd gered op zo'n schip?" Toen ze al 5 kinderen hadden hebben ze het huis van de dokter in Nes gekocht en zijn daarin gaan wonen. Daar ben ik dan nog geboren en mijn jongste zuster Gatske. (Zie Stamboom van mijn familie.) Omdat ze van dat schip af, ineens in dat machtige grote huis kwamen hebben ze eerst de helft van het huis verhuurd aan een nicht en haar man, in de voorste helft woonden we zelf. Mijn vader zat in die tijd in de handel, hij was commissionair meestal in aardappelen en vlas en dat spul. Hij ging dan met de brik met het paard ervoor naar Leeuwarden heen en weer, dat duurde dan wel 2 of 3 uur. Wij moesten ons moeder natuurlijk altijd helpen, want je had geen stofzuiger of wasmachine. Wat wij wel hadden in die tijd dat was een "boenstap", een houten plank waarop de potten en pannen uit de keuken buiten werden schoongemaakt. In de keuken was geen aanrecht, maar om beurten moesten wij buiten die pannen schuren met leem; er stond altijd een oude pan met leem klaar buiten met een doekje om te schuren of soms ook wel een handschrobber, een bosje heide met een touwtje eromheen. Als de potten en pannen dan schoon geschuurd waren dan zette je ze op het pottenrek dat ook buiten stond. We woonden in Nes tegenover de lagere school, en bij die school daar had je een vierkante blauwe zerksteen, waar we altijd zaten te bikkelen. Dat doen ze tegenwoordig niet meer. Omdat mijn broer een slagerij in Moddergat had, kregen wij altijd de mooiste bikkeltjes. Dan kregen we van hem wat hielbeentjes van een schaap of zo en die stopten we in de grond tot het vlees eraf gerot was. Als we ze na een poosje weer opgroeven dan had je prachtige witte bikkeltjes. Dat bikkelen op zo'n vierkante steen dat deed je dan met een grote stuiter, een bakkert, en die bikkeltjes. Je rolde die bakkert en dan moest je de bikkels omkeren en zeggen "platten, stoven, botten en nog een vierde, maar die weet ik niet meer. Urenlang waren we er zoet mee. Iedere week kregen we éen cent, waar we mee mochten doen wat we wilden. Meestal gingen we dan naar een oud vrouwtje, Bruinsma heette ze, en daar kochten we dan een zuurbal voor of zwart op wit.
Maar ja, ouderwets bikkelen doen ze niet meer en 1 cent bestaat ook niet meer……….